Wat zijn representatiesystemen

Primaire representatiesystemen en rapport


Primaire representatiesystemen bestaan uit vier modaliteiten. We kunnen onze ervaringen weergeven in taal door het gebruik van visuele, auditieve, kinesthetische en onspecifieke predikaten.

Predikaten zijn proceswoorden (werkwoorden, bijwoorden of bijvoeglijke naamwoorden) die mensen gebruiken in hun communicatie om hun interne ervaringen weer te geven, zowel visueel, auditief als kinesthetisch. Het doel van predikaten te 'matchen' is de taal te 'matchen' waarin je luisteraar spreekt, en op die manier een atmosfeer te creëren van rapport en begrip.
Bij de geboorte van een kind is alles nog vers. De zintuigen zijn goed ontwikkeld en in het bezit van alles wat nodig is om de geheimen van het universum te ontdekken, begint het opgroeien van dit kleine kind. Tenzij het kind is geboren met een handicap, beschikt het over ogen, oren, een reuk-, smaak- en tastorgaan, plus die unieke menselijke kwaliteit om een emotionele band met anderen te ervaren.

Tijdens het opgroeien van dit kind zijn alle zintuiglijke prikkels in overvloed aanwezig. Gemiddeld nemen we zeven informatie-eenheden waar, terwijl er meer dan een miljoen informatie-eenheden waar te nemen zijn. Het opgroeiende kind gaat dus een voorkeur ontwikkelen voor één van de zintuigen. Hij wordt gedwongen om een keuze te maken. Vanaf de leeftijd rondom 10 jaar is er al een voorkeur. Deze ontwikkeling is tot stand gekomen door het feit dat we ontdekt hebben dat we dingen op een bepaalde manier goed doen. Er ontwikkelt zich dus een patroon zodat we het blijven doen zoals we deden.

We zetten onze zintuiglijke informatie om in taal. We vertalen onze perceptie. Taal is een zeer complex ordeningsmodel, waarvan NLP enkele basale indelingen heeft geformuleerd die onze communicatie aanzienlijk kunnen verbeteren.

Een eerste taalvorm betreft de primaire representatiesystemen. Deze vallen het nauwst samen met onze zintuiglijke waarneming. De zintuiglijke waarneming valt uiteen in vijf categorieën, te weten: visueel (V), auditief (A), kinesthetisch (K), olfactorisch (o)(reuk) en gustatief (g)(smaak).

In NLP worden deze samengevat door de uitdrukking VAKog, waarbij we de "og" niet specifiek benaderen en deze onderbrengen bij K. We noemen deze categorieën modaliteiten. In onze taal gebruiken we vaak predikaten die rechtstreeks samenhangen met één van deze zintuiglijke modaliteiten.

Predikaten zijn werkwoorden, bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden die iets zeggen over het grammaticale subject van de zin. Hierbij onderscheiden we vier categorieën, te weten visuele, auditieve, kinesthetische en onspecifieke predikaten.

Ook hier geldt het principe van voorkeurspatronen. Het gaat om het vaststellen van een tendens in deze vormen van woordgebruik en het afstemmen en sturen op de voorkeurs­modaliteiten.

Afstemmen en sturen op de primaire representatiesystemen geschiedt d.m.v. "overlappen". Overlappen van een bepaalde taalvorm is in eerste instantie die bepaalde vorm herhalen (door een backtrack) alvorens de vraag te stellen die aanstuurt op een andere taalvorm.
Het proces valt als volgt te beschrijven:
  • Herkenning en afstemming op de voorkeursmodaliteiten van de ander door in dezelfde modaliteit te praten.
  • Sturing van de ander op een andere modaliteit door middel van overlapping. D.w.z. door een korte backtrack (in de afgestemde modaliteit) gevolgd door een vraag waarin een nieuwe modaliteit aangesproken wordt.
  • Nagaan of de ander een respons geeft in de gewenste modaliteit. Zo niet, stem opnieuw af op de aanwezige modaliteit.

  • De wijze waarop we onze ervaring verbaal weergeven (representeren) beïnvloedt het begripsvermogen van deze ervaring voor de gesprekspartner. Onbewust kiezen we vaak die modaliteiten die de ervaring zo weergeven dat we ons daarbij veilig voelen.

    Door in een bepaalde modaliteit te praten, worden bepaalde deelaspecten van een beleving benadrukt en andere deelaspecten van die beleving worden niet meegedeeld. Als iemand bijvoorbeeld de voorkeur heeft om zich visueel uit te drukken omtrent een bepaalde ervaring, zal de toehoorder zich hoofdzakelijk een beeld kunnen vormen van die ervaring. Hij zal "zicht" krijgen op die ervaring en kunnen beschrijven hoe die situatie eruit zag. Diezelfde toehoorder zal echter over weinig informatie beschikken betreffende wat er precies gehoord (en gezegd) werd (Auditief) en evenmin weten hoe die ervaring voelde en welke lichaamsgewaarwordingen ermee gepaard gingen (Kinesthetisch).

    Aangezien de voorkeursmodaliteit bepaalde deelaspecten benadrukt en andere deelaspecten in de schaduw zet, manifesteert de woordkeuze ook iets van datgene waarin we ons veilig voelen, van datgene wat we als het ware gemakkelijk kunnen mededelen.

    Door af te stemmen op de voorkeursmodaliteit houden we rekening met de wijze van representeren die veilig voelt voor de ander. De ander zal zich hierdoor makkelijker kunnen uitdrukken en openen dan wanneer we abrupt in een andere modaliteit praten.

    Als een arts bijvoorbeeld een patiënt heeft die sterk het gewaarwording aspect van zijn beleving weergeeft (kinesthetisch) en in het eigen woordgebruik sterk visueel blijft, zal die patiënt zich niet begrepen voelen:

    Arts: "Eerst wil ik helder krijgen hoe je ziekte eruit ziet."

    Patiënt:" Nu ja, ik voel een stekende pijn onder in mijn rug."

    Arts: "Laat me dat eens bekijken, ha, ik zie het al, er is een duidelijke verschuiving van de wervels waarneembaar."

    Patiënt: "Kunt u iets doen om die pijn te verminderen?" etc.

    Er is veel kans dat de patiënt die arts een afstandelijke, weinig begripvolle en gevoelsarme man zal vinden.

    Door andere representatiesystemen aan te sturen, krijgen we een meer totale weergave van de werkelijkheid.

    Uit het eerste principe vloeit voort dat de representatiesystemen bepaalde delen van de informatie weglaten. Door aan te sturen op andere representatiesystemen kunnen we vaak een veel volledigere weergave krijgen van de werkelijkheid van de ander.
    Elk representatiesysteem kent vele predikaten die onze dagelijkse taal voor komen. Hoe meer je er kent hoe flexibeler je wordt in je communicatie. Onderstaand en in een aparte sheet vind je voorbeelden van predikaten binnen elk representatiesysteem.
    Oogbewegingen (uitleg volgt in een ander document)

    De volgende posities van de ogen zijn te onderscheiden:
    • Vc: Visuele constructie - construeren van beelden
    • Vr: Visuele herinnering - herinneren van beelden
    • Ac: Auditieve constructie - construeren van geluiden en woorden
    • Ar: Auditieve herinnering - herinneren van geluiden en woorden
    • K: Kinesthetisch extern - activiteiten met het lichaam
    • AiD: Interne dialoog - meta-commentaar met interne stem

    Behalve uit de oogbewegingen zijn onze innerlijke processen ook af te lezen uit hoofdbewegingen, veranderingen in de houding en veranderingen in de spreektoon, het spreektempo en het ademhalingsritme.

    Voorbeeld

    Iemand die op een vraag antwoordt: "Ik weet het niet", maar zijn ogen daarbij wel rechts (voor degene tegenover hem rechts) omhoog doet, geeft een non-verbaal signaal dat hij zich op dat moment een beeld herinnert. Dit zal veelal gepaard gaan met andere visuele signalen: hogere spreektoon, snellere ademhaling. Je kan op zo'n moment vragen: "Wat zie je in gedachten voor je?" Als je zo'n vraag begeleidt met bijvoorbeeld een handbeweging op ooghoogte, ondersteun je hem nog beter bij het maken van het plaatje.

    Hoofdposities

    Deze komen overeen met de oogposities. Daarbij komt naar links de niet dominante hemisfeer, naar rechts de dominante hemisfeer, naar beide zijden afwisselend duidt op intern auditief.

    Andere types van oogbewegingen
    -
    Snelle beweging: visualisatie.

    - Knipperen over het algemeen visualisatie als het knipperen aanhoudt, het kan echter ook betekenen dat andere modaliteiten aangesproken worden afhankelijk van de hoofdpositie.

    - Knipperen kan ook betekenen dat een informatie bekrachtigd of onderstreept wordt.

    Veranderingen in ademhaling

    - Hoog in de borst of even ophouden met ademen, betekent toegang tot het visuele.

    Ook oppervlakkig ademen staat in verband met visueel bezig zijn.

    - Diep ademen en laag in de maagstreek: kinesthetisch.

    - Ademen in middenrif of met de hele borstkas en langere uitademing duidt op auditief.

    Tonaliteit

    - Hoge tonen neusklank en iets gespannen geforceerde klank duidt op toegang tot visuele informatie.

    - Diepe lage tonaliteit duidt op kinesthetische beleving.

    - Heldere, resonerende tonaliteit duidt op auditieve toegang.

    Tempo veranderingen

    Snelle uitbarsting van woede snel tempo: (V) Langzaam tempo en lange pauzes: (K) Een gelijkmatig ritmisch tempo: (A)

    Spier tonus veranderingen

    - Spierspanning voornamelijk in schouders en buik: beweging duidt op toegang tot interne kinesthetisch, (ook spierontspanning).

    - Gelijkmatige spanning en kleine ritmische bewegingen: (A)

    Hand en arm posities:
    -
    Wijzende vinger of arm: (V)

    - Palmen naar boven gericht en gebogen armen ontspannen: (K)

    - Handen of armen gevouwen: (A)

    - Telefoonpositie (hoofd ondersteund door hand) of handen die de mond of kin streek raken, duiden op interne dialoog.

    Wil je meer weten over NLP? Volg dan een NLP opleiding of een gratis workshop bij Response Instituut!
Reactie plaatsen