Wat is de structuur van onze beleving

Referentiestructuur, dieptestructuur en oppervlaktestructuur


De grondleggers van NLP, zoals eerdergenoemd bij de vooronderstellingen, hebben jarenlang allerlei mensen qua taal bestudeerd. Zij ontdekten meer en meer dat taal in feite een verwijzing is naar feiten of naar de aspecten van de feiten, zoals ze ervaren worden door een persoon. Deze feiten komen binnen, worden verwerkt en worden via de taal weer naar buiten gebracht. We geven dit weer door drie structuren waarin dit plaatsvindt.

De referentiestructuur

In het vorige hoofdstuk hebben we stil gestaan bij onze zintuigen en welke waarnemingen er binnen komen. Deze waarnemingen, je zou ook kunnen spreken van de omstandigheden zelf, de gebeurtenis op zich of de voorwerpen op zich, komen binnen in wat we de referentiestructuur noemen. De omstandigheden worden niet verbaal door woorden omschreven zoals ze binnen komen. Geen enkel mens is in staat om in woorden een volledig correcte beschrijving te geven van iets wat is. Het begint al met het gezichtspunt of fysieke standpunt van waaruit je kijkt of luistert. Elke beschrijving zal ingekleurd zijn door het psychische standpunt, het sociale standpunt, het filosofische standpunt van de persoon in kwestie. Aspecten worden selectief weggelaten of toegevoegd zonder dat ze er in het echt zijn. Dat onbewuste mechanisme noemen we filtering, de aspecten van een gebeurtenis selectief doorlaten of tegenhouden. Dit vindt plaats op de referentiestructuur. De structuur waarin alles binnen komt en waaraan wordt gerefereerd als men herinneringen ophaalt.
Al wat overblijft vanuit de referentiestructuur als er gefilterd, verdraaid en gemodelleerd is door de zintuigen van de waarnemer gaat naar de dieptestructuur. Dat wat er nu is, is dus een beperkte, onvolledige, subjectieve werkelijkheid die door de persoon wordt ervaren geheel volgens zijn of haar model van de wereld. De zintuigen worden als in de referentiestructuur op een geniale manier gemanipuleerd door de overtuigingen en ideeën die in het model van de wereld van deze persoon heersen.

Als we eens als voorbeeld een gebeurtenis nemen van iemand die het idee of de overtuiging heeft dat spinnen gevaarlijk zijn. Iemand met een fobie voor spinnen dus. Deze persoon ziet een spin van vijf centimeter grootte, terwijl het spinnetje met een meetlat gemeten slechts een halve centimeter is. Deze persoon is door zijn overtuiging slechts in staat om de spin te zien, alle overige visuele impulsen worden weg gefilterd. Dat de ruimte wel vijftig vierkante meter is, dat er nog andere mensen in de ruimte zijn, dat er een deur opengaat, dat er een mooi bos bloemen staat, wordt niet meer opgemerkt omdat er een geweldige manipulatie vanuit de overtuiging plaatsvindt. Zo iemand hoort dit spinnetje ook lopen, hoort de geluiden van de andere mensen die hem of haar willen geruststellen niet meer.

Zo iemand voelt dus ook, als gevolg van de waarneming een geweldige angst. Hier zorgt dus de angst ervoor dat de persoon van al zijn eigenschappen en vaardigheden wordt afgesloten zodat er alleen nog maar passiviteit overblijft. Dat het spinnetje in een glas gevangen kan worden of zelfs platgetrapt kan worden komt niet meer naar boven. De dieptestructuur is dus een geheel eigen, persoonlijk gekleurde representatie van de referentiestructuur (de omstandigheden), en het zijn de overtuigingen en de ideeën die de regisseur zijn, die helemaal de dienst uitmaken, en jou laten zien, horen en voelen wat overeenkomt met je ideeën. De dieptestructuur is jouw model van de wereld. Vol met waarden en overtuigingen.
Nu de waarnemingen zijn gekleurd door de dieptestructuur komen deze via de oppervlaktestructuur, naar buiten. Dit kan via de taal of via non-verbale communicatie.

De taal is op haar beurt weer een poging om te beschrijven wat er in de subjectieve wereld van de dieptestructuur heeft plaats gevonden. De taal is niet die subjectieve werkelijkheid, het beschrijft de werkelijkheid. Luisterend naar iemands taal is dus waar te nemen hoe iemand zijn model van de werkelijkheid samenstelt.

De taal is een vorm waarin iemands model van de wereld, de inhoud, verpakt zit. De vorm heeft net zoveel betekenis op de inhoud, als dat de inhoud de vorm bepaalt.

Net zoals het mogelijk is om iemand blijvend van een fobie voor spinnen af te helpen door de voorstelling van de spin te veranderen, zo is het ook mogelijk door bewust taalgebruik (vorm) invloed uit te oefenen op de overtuigingen en ontwikkeling van het bewustzijn.

Oppervlaktestructuur:

De taal/ woorden zelf. De samenvatting van wat er aan interne en innerlijke processen vooraf is gegaan op diep niveau structuur. 

Dieptestructuur:

De persoonlijke ervaring. De structuur van onze subjectieve waarneming en betekenisgeving (MOW). Hierbij zijn je overtuigingen (criteria) een essentieel onderdeel van het MOW. Het grootste gedeelte van de dieptestructuur is onbewust.

Referentiestructuur:

De primaire ervaring m.b.t. alles wat er is middels de modaliteiten. De bron van alle informatie, de zintuiglijke waarneming van wat ik zag, hoorde en voelde. De referentiestructuur van een in taal uitgedrukte ervaring behoort steeds tot het verleden. De uiteindelijke referentiestructuur is onze onmiddellijke ervaring in het hier en nu. Het is het eeuwige 'hier en nu', en dit is - paradoxaal genoeg - ten aanzien van onze interpretatie daarvan, steeds in het verleden.

 

Wil je meer weten over NLP? Volg dan een NLP opleiding of een gratis workshop bij Response Instituut!
Reactie plaatsen